Beoordelingsmethode 3
Bepalen van de risico-index voor veiligheidsrisico’s (risico-inschatting)
|
|||||||||||||||||||
|
Doelstelling
|
Na de benoeming van de gevaren in de risicobeoordeling moet voor elke gevaarlijke situatie een risico-inschatting worden uitgevoerd door bepaling van de risicofactoren. Per knelpunt wordt de ernst van een risico bepaald met behulp van de risicoscore. De risicofactoren zijn:
§ de mate van blootstelling of de frequentie waarin de situatie optreedt;
§ het mogelijke effect;
§ de waarschijnlijkheid dat het effect optreedt (faalkans).
Het product van deze factoren geeft de risico-index. De berekende waarde van de risico-index wordt geassocieerd met risico’s, waargenomen in actuele situaties, zoals bepaald in de aangewende methode.
Een kwantitatieve benadering kan van toepassing zijn als bruikbare gegevens beschikbaar zijn. Als er niet voldoende kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, is alleen een kwalitatieve risico-inschatting mogelijk.
Naast de bepaling van de risico-index wordt soms ook wel het ‘restrisico’ vastgesteld. Dit gebeurt om na te gaan of de maatregelen ter bestrijding van het in eerste instantie vastgestelde risico voldoende effectief zijn. Afhankelijk van de ernst van het restrisico moet u aanvullende maatregelen treffen.
|
||||||||||||||||||
|
Te gebruiken door
|
§ veiligheidkundige;
§ technisch engineer;
§ ontwerper.
|
||||||||||||||||||
|
Vindplaats
|
§ NEN-EN-ISO 14121-1.
§ Arbo-Informatieblad nr. 45. Risicobeheersing: taakrisicoanalyse, persoonlijke risicoanalyse, werkvergunningensysteem.
|
||||||||||||||||||
|
Kwalificatie
|
Een zeer gangbare methode uit de veiligheidkunde, die toch eenvoudig hanteerbaar is.
|
||||||||||||||||||
|
Extra info
|
Om tot de risico-index R te komen worden eerst de parameters B, E en W met elkaar vermenigvuldigd: R = B x E x W.
Blootstellingfrequentie (B)
De blootstellingsfrequentie wordt uitgedrukt in zes categorieën:
B = 10: voortdurend
B = 6: regelmatig (dagelijks)
B = 3: af en toe
B = 2: soms (maandelijks)
B = 1: zelden (jaarlijks)
B = 0,5: zeer zelden (minder dan één keer per jaar).
Mogelijk effect (E)
Het mogelijk effect wordt uitgedrukt in vijf categorieën:
E = 40: catastrofaal: meerdere doden, acuut of op termijn
E = 15 : zeer ernstig: een dode, acuut of op termijn
E = 7: ernstig, irreversibel letsel, invaliditeit
E = 3: belangrijk, reversibel letsel
E = 1: gering, letsel, hinder.
Waarschijnlijkheid dat het effect optreedt (W)
De waarschijnlijkheid dat het effect optreedt wordt ingedeeld in zeven categorieën:
W = 10: zo goed als zeker
W = 6: zeer goed mogelijk
W = 3: waarschijnlijk
W = 1: mogelijk, maar onwaarschijnlijk
W = 0,5: zeer onwaarschijnlijk
W = 0,2: praktisch onmogelijk
W = 0,1: zo goed als ondenkbaar.
|
||||||||||||||||||